Lesdoel - Directe Instructie
16489
page-template,page-template-full_width,page-template-full_width-php,page,page-id-16489,qode-listing-1.0.1,qode-quick-links-1.0,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-14.4,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-5.4.5,vc_responsive
 

LESDOEL

Een goede les heeft een duidelijk doel dat concreet en controleerbaar omschrijft, wat de leerlingen aan het eind van de les weten of kunnen. We willen leerlingen niet bezighouden, maar we willen ze iets leren.

“Goed onderwijs is niet activiteitengericht, maar doelgericht. Kinderen komen namelijk niet naar school om bezig te zijn, maar om te leren.”

EEN GOED LESDOEL

Een goed lesdoel bestaat in ieder geval uit een concept (hoofdgedachte) en een vaardigheid (techniek). Soms bevat een lesdoel ook een context (situatie waarin het moet worden toegepast).

 

Een voorbeeld van een lesdoel van een rekenles in groep 2:

 

Ik kan een vierkant herkennen tussen andere vormen.

CONCEPT

Het concept in een lesdoel is meestal een zelfstandig naamwoord. Het concept is de hoofdgedachte; het helpt de leerlingen te begrijpen wat er precies wordt gevraagd.

 

Ik kan een vierkant herkennen tussen andere vormen.

 

In bovenstaand lesdoel is ‘vierkant’ het concept. De leerlingen moeten begrijpen wat een vierkant is. Besteed daarom aandacht aan het onderwijzen van het concept ‘vierkant’. Start met concreet materiaal. Laat vierkanten zien: groot, klein en verschillende kleuren. Benoem dat het allemaal vierkanten zijn. Sluit aan op de leefwereld van de leerlingen door vierkante voorwerpen te tonen: zakdoeken, doosjes, etc.

VAARDIGHEID

De vaardigheid in een lesdoel is meestal het werkwoord. De vaardigheid is  de techniek; het zijn de regels of stappen die leerlingen moeten toepassen om tot een juist antwoord te komen.

 

Ik kan een vierkant herkennen tussen andere vormen.

 

In bovenstaand lesdoel is ‘herkennen’ de vaardigheid. De leerlingen moeten stappen aangeleerd krijgen op te kunnen herkennen of een vorm wel of niet een vierkant is.
Lesdoelen bevatten altijd concrete, meetbare vaardigheden, zoals oplossen, herkennen, schrijven, berekenen, beschrijven, etc. Het is namelijk belangrijk dat je kan controleren of de leerlingen dit ook echt kunnen.
Schrijf de stappen voor jezelf op, zodat je ze telkens kunt verwoorden als je ze toepast op verschillende voorbeelden. Bij oudere leerlingen zet je deze ook altijd op het bord en laat je ze overschrijven.

In bovenstaand lesdoel is de vaardigheid te vatten in twee stappen:
1. Ik tel de zijden, zijn het er vier?
2. Zijn alle zijden even lang?

CONTEXT
Misschien was het je al opgevallen dat in het voorbeeldlesdoel twee zelfstandige naamwoorden zitten: ‘vierkant’ én ‘vormen’. De context waarin het herkennen van vierkanten zich afspeelt is ‘tussen andere vormen’.

 

Ik kan een vierkant herkennen tussen andere vormen.

De leerlingen moeten leren om vierkanten te herkennen ‘tussen andere vormen’ en dus niet ‘tussen letters’ of ‘tussen ‘cijfers’.

DEEL DE DOELEN

We hebben een groot geheim in het onderwijs: de doelen! Leerkrachten weten vaak wel welke doelen er centraal staan in een blok of les, maar de leerlingen meestal niet. Ze ondergaan vaak de lessen in plaats van dat ze actief en medeverantwoordelijk voor het leren worden gemaakt.

Deel het lesdoel daarom altijd met je leerlingen. Schrijf het lesdoel op het bord en kom er gedurende de les regelmatig op terug. Formuleer het lesdoel in de ik-vorm en lees het samen hardop. Leg moeilijke woorden uit.

6-19-page-001

LEG UIT WAAROM HET DOEL BELANGRIJK IS

In een les volgens het directe instructiemodel wordt ook expliciete instructie gegeven over het belang van het lesdoel. Als leerlingen weten waarom de leerstof belangrijk is, dan verhoogt dit de motivatie en hierdoor is er tijdens de les een hogere mate van betrokkenheid bij de leerlingen. Als het belang van het lesdoel duidelijk is, dan wordt de nieuwe leerstof ook beter onthouden.

Voor het onderwijzen van het belang van het lesdoel is geen vast punt in de les aan te wijzen. Het gaat erom dat je een moment kiest waarop leerlingen in staat zijn om hierover na te denken. Meestal is dit pas mogelijk nadat enkele voorbeelden zijn uitgewerkt. Geef zelf een voorbeeld van het belang van het lesdoel en geef daarna de leerlingen de mogelijkheid om aanvullende redenen te noemen. Maak hierbij vooral gebruik van je sterke leerlingen.

“Zónder lesdoel maken leerlingen werk.

Mét lesdoel zijn leerlingen gericht op leren.”