Instructie - Directe Instructie
16641
page-template,page-template-full_width,page-template-full_width-php,page,page-id-16641,qode-listing-1.0.1,qode-quick-links-1.0,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-14.4,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-5.4.5,vc_responsive
 

INSTRUCTIE

Nadat je het lesdoel hebt geformuleerd, ontwerp je hierbij een expliciete directe instructie waarin het concept en de vaardigheid helder worden beschreven. Door het formuleren van een heldere betekeniszin bij het concept en duidelijke stappen bij de vaardigheid, realiseer je succeservaringen voor de leerlingen.

“Een doel zonder een plan is slechts een wens (Antoine de Saint-Excupéry). Ontwerp een effectieve instructie bij het lesdoel.”

We onderscheiden twee soorten leerstof: procedures en feiten. Als leerlingen voor beheersing van het lesdoel een aantal vaste stappen moeten uitvoeren om tot een oplossing te komen, dan is het procedurele leerstof. Moeten ze vooral feiten en informatie onthouden, dan is het feitelijke leerstof.

PROCEDURELE LEERSTOF

Bij procedurele leerstof moeten leerlingen een aantal vaste stappen uitvoeren. Er wordt een aanpakstrategie aangeleerd die wordt gebruikt om tot een oplossing te komen. Procedurele leerstof bestaat uit stappenplannen of regels die moeten worden toegepast.

 

Voorbeelden:

  • Ik kan de persoonsvorm in een zin bepalen.
  • Ik kan het de gemiddelde snelheid van een voertuig berekenen.
  • Ik kan met een balans bepalen welk voorwerp het zwaarst is.
  • Ik kan ongelijknamige breuken bij elkaar optellen.’

 

Lesdoel: Ik kan de buurgetallen van getallen tot en met 10 bepalen.

 

Door drie vaste stappen toe te passen, komen leerlingen tot een juiste oplossing.

 


Stappen bij de vaardigheid (Bron: Gynzy.com)

 

Een lesdoel bij procedurele leerstof bestaat uit een concept en een vaardigheid. Het concept is meestal het zelfstandig naamwoord in het lesdoel en wordt in een of twee zinnen omschreven. De vaardigheid is meestal het werkwoord in het lesdoel en bevat een aantal stappen.

“Werkuitleg is geen instructie! Geef inhoudelijke instructie die leerlingen helpt om het lesdoel te behalen.”

FEITELIJKE LEERSTOF

Bij feitelijke leerstof moeten leerlingen feiten en informatie onthouden. Feitelijke leerstof bestaat uit feiten, formules, afspraken, jaartallen, woordbetekenissen en parate kennis over verschillende onderwerpen die moeten worden gekend.

 

Voorbeelden:

  • Ik kan de waarden van de Romeinse cijfers M, D, C, L, X, V en I aangeven.
  • Ik kan belangrijkste kenmerken van de drie grote wereldgodsdiensten noemen.
  • Ik ken de betekenis van de woorden: intensief, secuur, onbesuisd, frequent.
  • Ik weet welke euromunten en –biljetten er zijn.

 

Bij feitelijke leerstof moeten leerlingen veel informatie verwerken. Leerlingen leren de informatie te ordenen en samen te vatten, waarna ze deze gericht en goed kunnen leren.

De leerlingen maken aantekeningen en samenvattingen. Hiervoor worden visuele schema’s gebruikt. Voorbeelden van visuele schema’s zijn: woordwebben, tabellen, diagrammen, stroomschema’s, enzovoort.

In een zaakvaktekst over vulkanen staat veel informatie die de leerlingen moeten leren. Door aantekekeningen te maken in een visueel schema wordt de leerstof beter onthouden.

 

Lesdoel: Ik kan kort en krachtig vertellen over vulkanen.

 

Door de informatie vast te leggen in een visueel schema, onthouden de leerlingen de leerstof beter. Ook hebben ze meteen een samenvatting van de les die ze gebruiken bij het leren voor de toets.


Visueel schema bij een les over vulkanen

 

Ook bij feitelijke leerstof bestaat het lesdoel uit een concept en een vaardigheid. De vaardigheid kan echter niet worden gevangen in een aantal vaste stappen, zoals bij procedurele leerstof.
Bij feitelijke leerstof bestaat de vaardigheid uit een grote hoeveelheid informatie. In bovenstaand voorbeeld is het concept ‘vulkanen’ en de vaardigheid is de grote hoeveelheid informatie rondom dit concept.
Je reikt de leerlingen een leeg visueel schema uit dat past bij de les die je gaat geven. Je toont dit schema ook op het bord en vult het tijdens de les samen met de leerlingen in. Stel regelmatig vragen om te controleren of iedereen de leerstof begrijpt en om deze goed in te slijpen. Leerlingen onthouden de leerstof beter als ze actief aantekeningen maken en deze moeten verwoorden tegen een schoudermaatje of de leerkracht.

Leeg visueel schema

 

In plaats van het uitreiken van een leeg visueel schema, kun je ook een geheel leeg A4 uitreiken. Je maakt aantekeningen op het bord en laat de leerlingen deze overnemen. Gebruik naast woorden ook eenvoudige tekeningen om de leerstof nog duidelijker te maken.


Vrij visueel schema bij een les over de Nijl

 

Doe de eerste tekstgedeelten samen met de leerlingen: doe het voor op het bord en laat de aantekeningen letterlijk overnemen op het eigen schema. Draag hierna de verantwoordelijkheid over. Laat ze de volgende tekstgedeelten samen met een schoudermaatje doen. Bespreek dit plenair, laat goede voorbeelden zien, geef feedback. Hierna maken de leerlingen het schema zelfstandig af. Hierbij kun je uiteraard ook kiezen voor samenwerkende werkvormen.

Instructie: De vorm

De belangrijkste fase van een les is de instructiefase. Hierin wordt de leerstof aangeboden aan de leerlingen. Hoeveel tijd je ook besteedt aan begeleide inoefening en zelfstandige verwerking, zonder een goede instructie verliezen deze lesfasen hun kracht. Er bestaan drie vormen van instructie: uitleggen, voordoen en hardop denken.

 

Drie vormen van instructie.

UITLEGGEN

 

Uitleggen is waarschijnlijk de meest gebruikte vorm van instructie. Je doet dit door in de jij- of wij-vorm te spreken. Het is belangrijk om leerlingen tijdens de uitleg te activeren door hen aantekeningen te laten maken. Leerlingen die aantekeningen maken, zijn actief en meer betrokken. Ook zorgt de fysieke handeling van het schrijven ervoor dat de uitleg beter wordt onthouden. Schrijf zelf ook mee op je digibord.

 

“Als je de persoonsvorm in een zin wilt vinden, dan moet je de zin vragend maken. Het woord dat dan voorop komt te staan, is de persoonsvorm.”

“Als we willen weten wat het gemiddelde is, dan moeten we alle getallen optellen en de uitkomst delen door het aantal getallen.”

 

VOORDOEN

 

Bij het voordoen gebruik je voorwerpen en materialen die je instructie ondersteunen. Bij de projectlessen bij rekenen worden vaak concrete materialen gebruikt: meetlinten, klokken, biljetten, munten en maatbekers.

 

“Aan deze kant van de balans zet ik een gewicht van 20 gram. Aan de andere kant zet ik twee gewichten van 10 gram. Je ziet dat de balans in evenwicht is. Dat betekent dat aan beide kanten van de balans 20 gram aan gewicht staat.”

 

HARDOP DENKEN

 

Hardop denken wordt ook wel ‘modelen’ genoemd. Bij deze vorm van instructie denk je hardop in de eerste persoon (ik-vorm), zodat de leerlingen horen hoe jij een probleem aanpakt. Je geeft de leerlingen als het ware een kijkje in jouw hoofd door je denkproces hardop te verwoorden.

 

Bij het hardop denken stel je jezelf vragen die je ook zelf weer beantwoordt. Laat je niet verleiden om leerlingen jouw vragen te laten beantwoorden. Het gaat erom dat je jouw denkproces zichtbaar maakt.

 

1/3 + 1/6 = Hmmm . . . hoe kan ik die nu bij elkaar optellen? Eens even denken . . . ik ga eerst de noemers gelijknamig maken. Kan ik van die 1/3 ook zesden maken? Ja . . . als ik de noemer keer twee doe. Ik heb geleerd dat ik dan de teller ook keer twee moet doen. Hoeveel wordt dat dan? Even denken . . . twee keer één is twee . . . en twee keer drie is zes . . . 2/6 dus. Nu kan ik ze bij elkaar optellen . . . 2/6 + 1/6 = 3/6.”

 

Maak de leerlingen duidelijk dat je hardop gaat denken. Benoem expliciet dat je hardop gaat denken en ondersteun dit met een gebaar: wijs met je vinger naar je hoofd. Kies voor een vaste plaats in de klas waar je goed zichtbaar bent voor alle leerlingen.

 

Je markeert deze plaats met een zogenoemde ‘denkstip’. Als je op deze stip staat, dan geef je leerlingen een kijkje in jouw hoofd en laat je horen hoe jij denkt, welke problemen je tegenkomt en hoe je deze aanpakt.

 

Laat ook leerlingen op deze denkstip plaatsnemen tijdens de begeleide inoefening of het controleren van begrip. Zorg dat je kleine geplastificeerde denkwolken hebt die je kunt uitreiken. Leerlingen houden deze boven hun hoofd en verwoorden hun gedachten of aanpakstrategie in de ik-vorm.

VRAAG EN ANTWOORD

Trap niet in de val van lesgeven via vraag en antwoord. Geef altijd eerst instructie en stel dan pas vragen. Op deze manier stel je álle leerlingen in staat om antwoord te geven en niet alleen de sterke. Als je vragen stelt zonder instructie te hebben gegeven, dan controleer je voorkennis. Je wilt echter controleren of alle leerlingen begrijpen wat je hebt uitgelegd. Leg daarom altijd eerst uit en stel daarna controlevragen.

“Trap niet in de val van lesgeven via vraag en antwoord. Geef eerst instructie. Dan kan namelijk iedereen antwoord geven.”

LEREN IS LEUK

Om de leerstof goed eigen te kunnen maken, wordt deze duidelijk en sober aangeboden aan de leerlingen. De leerstof staat centraal en de beschikbare leertijd wordt doelgericht gebruikt om het lesdoel te behalen. De lessen worden niet onnodig opgeleukt met werkvormen en opdrachten die afleiden van de kern.
Het leren zélf wordt leuk gemaakt. De leerlingen merken dat ze iets beheersen wat eerst buiten hun interesses en mogelijkheden lag. Dit besef heeft een enorme impact op hun  werkhouding en betrokkenheid. Leerlingen worden actief betrokken bij het leren door hen aantekeningen te laten maken, te laten overleggen met elkaar en denktijd te bieden na het stellen van een vraag.
Door het verzorgen van kwalitatief hoogwaardige instructie en het stapsgewijs overdragen van de verantwoordelijkheid worden er succeservaringen gerealiseerd. Leerlingen ervaren: ik kan het! Dit zie je terug in hun zelfvertrouwen en motivatie.